Wet- en regelgeving
Met ingang van 1 januari 2008 zijn de meeste 8.40 Wet Milieubeheer AMvB’s (Algemene Maatregel van Bestuur) vervangen door het besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (het Activiteitenbesluit).
Twee Wet Milieubeheer AMvB’s zijn niet gewijzigd, te weten:
- Het Besluit landbouw milieubeheer
- Het Besluit glastuinbouw
De nieuwe wetgeving verplicht in meer algemene zin de inrichtinghouder (eigenaar/beheerder van de stookinstallatie(s)) om “zijn zaakjes goed voor elkaar te hebben”, en biedt hem hierin de nodige vrijheid.
Indien hij in gebreke blijft zal het bevoegd gezag op wettelijk vastgestelde momenten met duidelijk meetbare maatstaven de inrichtinghouder hierop aanspreken en zal zo nodig bestuursdwang toepassen.
Met het nieuwe beleid biedt VROM de inrichtinghouder meer ruimte om met zijn verantwoordelijkheden om te gaan.
Waarom het activiteitenbesluit:
Een van de doelstellingen van het kabinet “Balkenende II” was vereenvoudiging en vermindering van wet- en regelgeving en het terugdringen van administratieve lasten.
In het kader hiervan is het ministerie van VROM in 2003 gestart met het doorlichten van de op dat moment geldende milieu wetgeving.
Hierbij is gezocht naar mogelijkheden tot het vereenvoudigen en verminderen van de regels.
Naast de activiteiten is er onderzoek gedaan naar het functioneren van de 8.40 AMvB’s.
Conclusie van dit alles was om niet langer regels op te stellen per branche (zoals in de 8.40 AMvB’s), maar per activiteit.
Bij het opstellen van het Activiteitenbesluit is een aantal uitgangspunten gehanteerd om tegemoet te komen aan de gestelde eisen.
- De regels moeten relevante en herkenbare milieudoelen bevatten. Hiermee wordt bedoeld dat aan bedrijven met een geringe milieubelasting een beperkt aantal regels worden gesteld.
- De regels moeten goed uitvoerbaar en handhaafbaar zijn. Heldere en eenduidige voorschriften welke ook voor kleine inrichtingen hanteerbaar zijn.
- De regels moeten zoveel mogelijk uniform zijn maar ook ruimte bieden voor flexibiliteit en innovatie. Voor de meeste inrichtingen wordt volstaan met de algemene regels. In specifieke gevallen heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om zogeheten maatwerkvoorschriften te hanteren.
- De regels moeten leiden tot minder administratieve lasten.
Met betrekking tot stookinstallaties zijn hoofdstuk 2, artikel 2.1 “'zorgplicht”' en hoofdstuk 4, artikel 4.18 “'in werking hebben van een stookinstallatie” relevant.
Artikel 2. 1 Zorgplicht
Het is niet mogelijk en ook niet wenselijk om alle milieubelastende situaties te beschrijven én te reguleren in het Activiteitenbesluit. Dit zou leiden tot een te omvangrijk document. Om er toch voor te zorgen dat een ondernemer voldoende aandacht besteed aan de bescherming van het milieu zijn er zorgplicht-bepalingen opgenomen in het besluit.
Artikel 2.1 stelt:
Degene die een inrichting drijft en veel of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn dan wel het al dan niet tijdelijk buiten werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.
Anders gezegd:
wanneer een eigenaar van een bedrijf weet of had kunnen weten dat zijn activiteiten nadelige gevolgen hebben voor het milieu, en wanneer dit niet of onvoldoende door het Activiteitenbesluit is geregeld, hij daarvoor maatregelen dient te nemen om dit te voorkomen of te beperken.
Voor stookinstallaties wordt onder het voorkomen of beperken van nadelige gevolgen voor het milieu verstaan:
- een doelmatig gebruik van energie
- het voorkomen dan wel beperken van Iuchtverontreiniging
- het voorkomen dan wel het beperken van risico's voor de omgeving
- het zorgen voor een goede staat van onderhoud van de inrichting
Het artikel is algemeen gesteld en niet concreet in getallen of termijnen (b.v. voor emissiewaarde of onderhoudsintervallen). Wanneer het bevoegd gezag echter constateert dat het milieu wordt geschaad heeft men wel de mogelijkheid om op basis van de zorgbepaling te handhaven.
Artikel 4. 18 In werking hebben van een stookinstallatie
Dit artikel beschrijft de eisen die gesteld worden aan verwarmings- of stookinstallaties.
Samengevat betreft het de volgende eisen:
Nominaal vermogen verwarmings- of stookinstallatie |
Keuringsfrequentie Gasgestookte installatie |
Keuringsfrequentie NIET Gasgestookte installatie |
< 20 kW |
Geen |
Geen |
< 100 kW |
Geen |
ten minste 1 maal per 4 jaar |
> 100 kW |
ten minste 1 maal per 4 jaar |
ten minste 1 maal per 2 jaar |
- Bij de keuring dient veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid gecontroleerd te worden.
- De keuring omvat de afstelling voor de verbranding, het systeem voor de toevoer van brandstof en de afvoer van verbrandingsgassen.
- De keuring dient te worden verricht door een persoon die beschikt over een geldig certificaat dat is afgegeven door een instelling die door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd teneinde uitvoering te kunnen geven aan de ”beoordelingrichtlijn voor het uitvoeren van onderhoud en inspecties aan stookinstallaties” van de Stichting Certificatie Inspectie en Onderhoud Stookinstallaties of aantoonbare voldoet aan eisen die ten minste gelijkwaardig zijn aan die beoordelingrichtlijn.
- Wanneer uit een keuring blijkt dat de verwarmings- of stookinstallatie onderhoud behoeft vindt dat onderhoud binnen twee weken na de keuring plaats. Degene die de inrichting drijft vraagt een bewijs waaruit blijkt wanneer, door wie en welk onderhoud is verricht.
- Het laatst opgestelde keuringsrapport en het laatst opgestelde onderhoudsbewijs worden bewaard.
Naast het Activiteitenbesluit heeft VROM ook een artikelsgewijze toelichting op het Activiteitenbesluit gepubliceerd.
Samengevat geeft dit document volgende toelichting op artikel 4.18:
De gestelde keuringsfrequentie en de gehanteerde grenswaarde voor vermogen zijn het gevolg van de implementatie van de richtlijn 1006/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen (EPBD). Deze richtlijn heeft tot doel het stimuleren van verbeterde energieprestatie voor gebouwen en voorziet daartoe in artikel 8 in de regelmatige keuring van cv ketels.
Het is van belang dat de degene die de inrichting drijft de door de leverancier van een verwarmings- of stookinstallatie geleverde gebruiksaanwijzingen, behorende bij die installatie nauwgezet volgt.
Bij het voor het eerst in gebruik nemen van een verwarmings- of stookinstallatie is het bovendien voor degene die de inrichting drijft van belang dat hij een rapport (basisrapport / EBI rapport) herkrijgt waaruit blijkt dat de installatie aan de eisen voldoet waaraan de installatie volgens dit artikel ten minste moet voldoen. In het kader van de handhaving kan het bevoegd gezag hem immers vragen aan te tonen dat de installatie aan de eisen voldoet.
SCIOS systematiek versus Activiteitenbesluit:
De SCIOS systematiek die gehanteerd wordt is gebaseerd op een Eerste/Bijzondere Inspectie (EBI), een Periodiek Onderhoud (PO) en een Periodieke Inspectie (PI). Wanneer alleen gekeken wordt naar het artikel waarin de eisen aan stookinstallaties zijn beschreven (art. 4.18), dan zijn er duidelijke verschillen te zien met de SCIOS systematiek. Kenmerkend zijn het niet noemen van een Eerste/Bijzondere Inspectie (EBI) het Periodiek Onderhoud (PO) en een keuringsfrequentie van ten minste eens per 4 jaar.
Wanneer echter het geheel van zorgplicht artikel 2.1 de eisen aan stookinstallaties, artikel 4.18 en de toelichting op het Activiteitenbesluit wordt beschouwd, zijn de verschillen minder groot. Hieronder volgt een vergelijk van de gehanteerde SCIOS systematiek met het besluit.
Eerste/Bijzondere Inspectie (EBI)
De toelichting op artikel 4.18 beschrijft:
Bij het voor het eerst in gebruik nemen van een verwarmings- of stookinstallatie is het bovendien voor degene die de inrichting drijft van belang dat hij een rapport (basisrapport / EBI rapport) herkrijgt waaruit blijkt dat de installatie aan de eisen voldoet waaraan de installatie volgens dit artikel ten minste moet voldoen. In het kader van de handhaving kan het bevoegd gezag hem immers vragen aan te tonen dat de installatie aan de eisen voldoet.
Met andere woorden:
Een eerste controle van de afstelling voor verbranding, het systeem van brandstoftoevoer, het afvoersysteem verbrandingsgassen en de opstellings- of stookruimte. Waarbij de controle plaats vindt op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid. De resultaten worden vastgelegd in het basisrapport / EBI rapport, met aanwijzingen voor het Periodiek Onderhoud (PO) en de Periodieke Inspectie (PI). Indien er gedurende deze inspectie geen gebreken zijn geconstateerd wordt er naast het inspectierapport ook een “Certificaat van Inspectie” afgegeven. Dit certificaat is van belang voor de verzekeringsmaatschappijen en overheidsinstanties, zoals gemeenten, milieudiensten en brandweer.
Periodiek Onderhoud (PO)
Artikel 2.1 beschrijft dat onder het voorkomen en beperken van nadelige gevolgen voor het milieu wordt verstaan:
- een doelmatig gebruik van energie
- het voorkomen dan wel beperken van Iuchtverontreiniging
- het voorkomen dan wel het beperken van risico's voor de omgeving
- het zorgen voor een goede staat van onderhoud van de inrichting.
Een goede staat van onderhoud op elk gewenst moment is alleen te bereiken door minimaal jaarlijks periodiek onderhoud te plegen. De onderhoudswerkzaamheden worden verricht volgens de aanwijzingen van de leverancier/fabrikant van het toestel en het basisverslag. De resultaten worden vastgelegd in een onderhoudsrapport. Indien er gedurende het onderhoud geen gebreken zijn geconstateerd wordt er naast het onderhoudsrapport ook een “Certificaat van Onderhoud” afgegeven. Dit certificaat is van belang voor de verzekeringsmaatschappijen en overheidsinstanties, zoals gemeenten, milieudiensten en brandweer.
Periodieke Inspectie (PI)
Artikel 4.18 beschrijft een verplichte keuring van ten minste 1 keer per 4 jaar (afhankelijk van gebouw, opstelling, omgevingsfactoren, doelstelling installatie e.d.) voor stookinstallaties boven de 100 kW vermogen. De keuring betreft dan de afstelling voor verbranding, het systeem van brandstoftoevoer en het afvoersysteem verbrandingsgassen. Waarbij de beoordeling plaats vindt op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid. Indien er gedurende deze inspectie geen gebreken zijn geconstateerd wordt er naast het inspectierapport ook een “Certificaat van Inspectie” afgegeven. Dit certificaat is van belang voor de verzekeringsmaatschappijen en overheidsinstanties, zoals gemeenten, milieudiensten en brandweer.
De wetteksten die de zorgplicht betreffen:
Het is op zich niet nieuw dat de wetgever naast concrete eisen ook “kapstok-eisen” formuleert om te bereiken dat ook de niet voorziene omstandigheden door de betreffende wet worden gedekt. In dat geval gaat de reikwijdte echter veel verder. Het beleid van de overheid is er namelijk steeds meer op gericht om de burger en de ondernemer zelf nadrukkelijk meer eigen verantwoordelijkheid jegens de omgeving te laten nemen. Strikte regelgeving tot in het kleinste detail geformuleerd, verdoezelt de eigen verantwoordelijkheid en leidt er toe dat velen er een “sport” van maken om zo dicht mogelijk langs het randje te lopen. Door het opleggen van een zorgplicht daarentegen wordt aangestuurd op het accentueren van de maatschappelijke verantwoordelijkheid die elke burger en ondernemer heeft.
Het door de overheid gewenste gevolg voor het nadrukkelijk opvoeren van de zorgplicht in het Activiteitenbesluit is, dat de ondernemer zich verplicht voelt vooraf na te denken hoe hij in zijn bedrijf de risico's voor de omgeving zo veel mogelijk beperkt.
Achteraf (wanneer zich een incident heeft voorgedaan) oordelen en dan maatregelen voor de toekomst nemen is er niet meer bij. Hij zal na een incident worden afgerekend op het niet goed ingeschat hebben van de risico's waardoor hij bijgevolg de noodzakelijke preventieve maatregelen niet heeft getroffen. Natuurlijk kan een ondernemer niet zelf alle mogelijke risico's inschalen. Hij zal hiervoor ondersteuning nodig hebben van deskundigen. Hoewel hij altijd zelf verantwoordelijk blijft voor de gevolgen van incidenten in zijn bedrijf zal de rechter in belangrijke mate rekening houden met het feit dat hij gebruik heeft gemaakt van ingehuurde deskundigheid. Voor veilig en milieuvriendelijk functioneren van stookinstallaties is een SCIOS gecertificeerd bedrijf de aangewezen deskundige.
De functie van deze concrete eisen is nadrukkelijk niet dat de ondernemer hiermee meer ruimte wordt geboden ten opzichte van de oude regels, zodat hij het “niet meer zo nauw hoeft te nemen”. Hij mag deze eis dus bijvoorbeeld niet zodanig interpreteren dat hij pas na vier jaar hoeft vast te laten stellen of de stookinstallatie veilig is en aan alle milieu- en rendementseisen voldoet. Nee, op grond van de zorgplicht dient hij er voor te zorgen dat de installatie ALTIJD aan de eisen voldoet. Het doel van de concrete eisen in artikel 4.18 is om het bevoegd gezag een middel te verschaffen om na twee of vier jaar adequaat op te treden.
Bij het vaststellen van de wettekst heeft men als basis gebruik gemaakt van een artikel in de Europese richtlijn voor het optimaliseren van het energiegebruik van gebouwen, de Energy Performance Building Directive (EPBD). Nederland heeft net als andere Europese landen de plicht deze richtlijn in de nationale wetgeving te implementeren. Een van de dingen die hierbij worden geregeld is de periodieke keuring van cv-ketels. De keuring heeft als doel om het energieverbruik te verminderen en de (schadelijke) emissies te beperken. Anders gezegd is het een bepaling of het toestel nog voldoende stooktechnisch rendement heeft. In de EPBD is hierover het volgende geformuleerd:
Artikel 8 (Keuring van c.v.-ketels)
Met het oog op de vermindering van het energieverbruik en de beperking van kooldioxide-emissies:
a) nemen de Iidstaten de noodzakelijke maatregelen voor het instellen van een regelmatige keuring van c.v.-ketels die werken op niet-hernieuwbare, vloeibare of vaste brandstof en een nominaal vermogen hebben van 20 tot 100 kW. De keuring kan ook worden ingesteld voor ketels die op andere brandstoffen werken; dienen c.v.-ketels met een nominaal vermogen van meer dan 100 kW ten minste om de twee jaar gekeurd te worden; voor gasketels ten minste om de vier jaar;
stellen de lidstaten voor verwarmingsinstallaties met ketels met een nominaal vermogen van meer dan 20 kW die ouder zijn dan 15 jaar, de noodzakelijke maatregelen vast voor een eenmalige keuring van de gehele verwarmingsinstallatie. Aan de hand van deze keuring, die een beoordeling dient te omvatten van het rendement van de ketel en van de ketelgrootte ten opzichte van de verwarmingsbehoeften van het gebouw, adviseren de deskundigen de gebruikers over vervanging van de ketel(s), andere wijzigingen van het verwarmingssysteem en alternatieve oplossingen; of
b) nemen de Iidstaten de noodzakelijk maatregelen om ervoor te zorgen dat de gebruikers geadviseerd worden over vervanging van de c.v.-ketels, andere wijzigingen van het verwarmingssysteem en alternatieve oplossingen, die keuringen kunnen inhouden om de doeltreffendheid en de juiste grootte van de ketel te beoordelen. Deze aanpak dient bij benadering hetzelfde resultaat op te leveren als het bepaalde onder a). De Iidstaten die voor deze optie kiezen, brengen bij de Commissie om de twee jaar verslag uit over de gelijkwaardigheid van hun benadering.
Hoewel Nederland heeft besloten voor optie b), de zogenaamde stimuleringskeuze, heeft men er voor gekozen om de onder a) genoemde regelmatige keuring van c.v.-ketels op rendement als basistekst voor de betreffende wettekst in het nieuwe Activiteitenbesluit op te nemen. Maar beoordeling op rendement is wat anders dan beoordeling op veiligheid. De tekst past maar moeilijk in het gestroomlijnde systeem van EBI, PI en PO volgens het SCIOS-stramien.
De installatie- en onderhoudsvoorschriften van de fabrikant:
Gastoestellen en hun fabrikanten moeten sinds uiterlijk 1 januari 1996 voldoen aan wettelijke eisen. Op dat moment werd de Europese Gastoestellenrichtlijn (in Nederland geïmplementeerd als het Besluit Gastoestellen als onderdeel van de Warenwet) definitief ingevoerd. Sindsdien moeten gastoestellen, voordat ze van een CE-markering worden voorzien en op de markt gebracht worden, een typekeuring ondergaan door een aangewezen keuringsinstantie. Eén van de eisen waaraan de fabrikant moet voldoen (en hetgeen ook bij de typekeuring mee wordt beoordeeld), is het beschikbaar stellen van het geheel aan aanwijzingen voor inbedrijfstelling, gebruik en onderhoud.
De fabrikant heeft -ook na levering van het toestel- langdurig een verantwoordelijkheid voor de veiligheid van het product. Het is de fabrikant er dan ook veel aan gelegen dat degenen die het toestel installeren, gebruiken en onderhouden dit op de juiste wijze doen en met de juiste frequentie. Als een stookinstallatie de oorzaak is van een incident of ongeval en deze is niet volgens de aanwijzingen van de fabrikant geïnstalleerd, gebruikt of onderhouden, zal de fabrikant geen aansprakelijkheid aanvaarden. De eigenaar van de installatie kan dus niet terugvallen op de fabrikant en draagt zelf de verantwoordelijkheid voor de geleden schade.
Het Activiteitenbesluit heeft echter niet de pretentie om dit ook nog te regelen en hierop handhavingseisen te formuleren. Maar voor de eigenaar van de stookinstallatie is dit gegeven wel van cruciaal belang. Vandaar dat bij het wijzigen van de SCIOS-regeling nog nadrukkelijker is ingehaakt op de eisen die door de fabrikant aan het installeren, het gebruik en het onderhoud worden gesteld.
Afgezien van de specifieke onderhoudswerkzaamheden wordt ook de door de fabrikant aangegeven onderhoudsfrequentie meegenomen als aanwijzing voor PO in het basisverslag. Voor periodieke inspectie is de fabrikant nog niet zover dat hier in het algemeen eisen voor zijn geformuleerd. Wellicht dat in de toekomst fabrikanten meer en meer ook de inspectiefrequentie in hun voorschriften gaan opnemen. Tot die tijd wordt de inspectiefrequentie bepaald door de EBI-Deskundige.
Brandstoftoevoerleidingen:
Ook de brandstoftoevoerleidingen naar grote toestellen worden bij ingebruikname en vervolgens periodiek gekeurd/geïnspecteerd. In de genoemde besluiten maken ze deel uit van de keurings-/inspectieverplichting. In geval van olie als brandstof betreft het de leiding (of leidingen bij een tweepijpsysteem) van reservoir tot de verwarmings- of stookinstallatie. Dit is eveneens het geval bij propaan, butaan of mengsels als brandstof. Bij aardgas als brandstof betreft het de leiding van het Ieverpunt van de gasleverancier (de gasmeter) tot de verwarmings- of stookinstallatie. Voor aardgasleidingen is in de SCIOS-regeling vastgelegd wat de omvang van de werkzaamheden inhoudt. Voor olieleidingen en vloeibaar gasleidingen is dit beschreven in de van toepassing zijnde PGS-publicatie (PGS = Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen).
Voor brandstofleidingen bestaan er twee werkgebieden:
- eerste en bijzondere inspectie (EBI)
- periodieke inspecties (PI)
Omdat inspecties aan brandstofleidingen geheel afwijken van inspecties aan stooktoestellen en hun afvoersystemen, bestaat hiervoor een aparte scope in de SCIOS-regeling, namelijk scope 7 (brandstoftoevoerleidingen). Deze beschrijft (voorlopig) alleen aardgasleidingen. De scope is afgeleid van normen die vanuit het Bouwbesluit 2003 zijn aangewezen.
Scope 7a is van toepassing voor gebouwgebonden toepassingen, dus aardgastoevoerIeidingen naar installaties voor ruimteverwarming. Hiervoor gelden de in het Bouwbesluit aangewezen normen NEN1078 en NEN8078.
Scope 7b is van toepassing voor leidingen voor industriële toepassing. Hiervoor geldt de vanuit het Bouwbesluit aangewezen norm NEN2078.
Voor scope 7a-leidingen, vindt een “kleine” periodieke keuring/inspectie plaats na 4 jaar en een “grote” periodieke keuring/inspectie na 8 jaar.
Bij scope 7b-leidingen, vindt jaarlijks een “kleine” keurig/inspectie en een “grote” periodieke keuring/inspectie na 5 jaar. Met deze periodieke keuringen/inspecties wordt de staat, waarin de leidingen verkeren, beoordeeld.
Bij de eerste inspectie wordt een basisrapport opgemaakt. Dit en de bijbehorende inspectieverklaring wordt, bij goedkeuring, aan de opdrachtgever ter hand gesteld opgestuurd en komt eveneens in het installatiedossier.
Eerste inspectie brandstoftoevoerleidingen
Omdat elk Ieidingsysteem voor de toevoer van brandstof uniek is, is het van belang dat al in het ontwerpstadium de brandstoftoevoerleidingen worden gecontroleerd tijdens het ontwerp, bij de aanleg en in de fase van ingebruikname van de leiding of deze is ontworpen, aangelegd en beproefd volgens de (nationaal) geldende veiligheidsvoorschriften en de voorschriften van de leveranciers inzake veiligheid en milieubescherming. Daarnaast zal het beoordelen of de leiding in de omgeving waarin ze is gelegd voldoet aan de relevante voorschriften opdat de leiding ook op de lange termijn veilig kan functioneren en het milieu niet onnodig belast. De meet- en beoordelingsgegevens worden in een rapport verwerkt: het basisverslag “Brandstoftoevoerleiding”. Dit basisverslag bevat niet alleen de feitelijke meetgegevens maar ook aanwijzingen bestemd voor medewerkers periodieke inspectie om hun werkzaamheden in de toekomst snel en adequaat te kunnen verrichten. Als de leiding voldoet aan de eisen wordt een “certificaat van ingebruikname” afgegeven. Zowel het basisverslag als het certificaat worden toegevoegd aan het installatiedossier. Ook voor brandstoftoevoerleidingen is de in het basisverslag opgegeven frequentie het uitgangspunt voor een goed en veilig functioneren.
Periodieke inspectie brandstofleidingen
Bij de periodieke inspectie aan brandstoftoevoerleidingen wordt beoordeeld of een leiding met toebehoor nog in een zodanige staat verkeert, dat deze aan de geldende eisen inzake veiligheid en milieu voldoet. Dit omvat een controle op de staat van de leiding en de functionaliteit van de afsluiters. Indien van toepassing wordt ook de juiste afstelling van de gasdrukregelapparatuur tijdens normaal bedrijf en van beveiligingsapparatuur bij afwijkende omstandigheden gecontroleerd. Ook controles op dichtheid van de leiding en het detecteren van eventuele lekken behoren daartoe. Dit geschiedt aan de hand van de in het basisverslag vastgelegde gegevens. Indien gebreken worden aangetroffen wordt de opdrachtgever verzocht om herstel- of onderhoudswerkzaamheden uit te laten voeren. Aan hetgeen in het Activiteitenbesluit “periodieke keuring” wordt genoemd, wordt voldaan als zo'n bovenstaande inspectie wordt uitgevoerd. Herstel van gebreken moeten zo snel mogelijk worden uitgevoerd (binnen twee weken voor inrichtingen vallend onder het Activiteitenbesluit). Hier vindt onderhoud/reparatie dus na periodieke inspectie plaats. Dit kan omdat een brandstofleiding, op eventuele afsluiters en regelaars na, geen bewegende delen bevat. De kwaliteitsachteruitgang wordt dan ook vooral veroorzaakt door veroudering van de materialen en door corrosieprocessen.
Herstelwerkzaamheden waarbij de veiligheid in het geding kan zijn, worden door gekwalificeerde installatie- of onderhoudsbedrijven uitgevoerd. Als de werkzaamheden geen gastechnische veiligheidsrisico's met zich mee brengt (b.v. schilderen van een bovengrondse leidingen e.d.), dan kunnen deze werkzaamheden afhankelijk van de kwalificaties van het personeel, ook door bijvoorbeeld de eigen technische dienst worden uitgevoerd.
Opslag
Voor de opslag van vloeibaargasinstallaties is, afhankelijk van de inhoud, PGS20 of PGS21 van toepassing. Hierin worden ook eisen gesteld met betrekking tot de ingebruiknamekeuring en periodieke keuringen van de gasleidingen. Voor het uitvoeren van periodieke keuringen geldt een uiterste termijn van 6 jaar. Zie de betreffende publicatie (deze zijn te downloaden op www.vrom.nl) voor de kwalificatie-eisen die worden gesteld aan degenen die deze werkzaamheden mogen verrichten.
De opslag is niet opgenomen in het Activiteitenbesluit, maar geregeld in het Warenwetbesluit drukapparatuur.
Voor de opslag van gasolie is PGS28 (ondergrondse opslag) of PGS30 (kleine bovengrondse opslag) van toepassing. Ook hier worden eisen gesteld met betrekking tot ingebruiknamekeuring en periodieke keuringen van de brandstofleidingen. Voor het uitvoeren van periodieke keuringen geldt volgens deze norm een maximale termijn van 15 jaar.
Toezicht
Verzekeringsmaatschappijen en overheidsinstanties, zoals gemeenten, milieudiensten en brandweer eisen dat al deze taken worden uitgevoerd door bevoegde partijen.
In het kader van milieu, energieverbruik (rendement) en veiligheid wordt meten en registreren steeds belangrijker. In toenemende mate worden verantwoordelijkheden bij de eigenaar/gebruiker van stookinstallaties neergelegd. Dat klinkt dramatischer dan het is. Wij kunnen u helpen bij het waarmaken van uw verantwoordelijkheden. Wij inspecteren en onderhouden de conditie van uw stookinstallatie(s) en bekijken of deze voldoen aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving.
Op basis van deze inspecties adviseren wij u ook over de verbeter- en besparingsmogelijkheden van uw installatie.
Resultaat
De zekerheid van een optimaal functionerende installatie en u voldoet aantoonbaar aan de wet, zoals de milieuvergunningen, de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) of het Activiteitenbesluit.
De inspectiebevindingen worden vastgelegd in een rapportage die voldoet aan de door SCIOS gestelde eisen.
Deze eisen zijn gesteld om drie redenen:
- een goede afstelling voorkomt onnodige toename van de emissie van schadelijke stoffen in de buitenlucht;
- bewaken van het optimale rendement voorkomt onnodige verhoging van het energieverbruik;
- door controle en afstellen van de aanwezige beveiligingen wordt bereikt dat het toestel veilig blijft functioneren.
Emissie
De verbranding verloopt minder goed (niet optimale gas/lucht verhouding) waardoor mogelijk meer stikstofoxiden (NOx) dan nodig gevormd worden. NOx draagt in belangrijke mate bij aan verzuring.
Door de minder goede verbranding wordt onverbrand gas (CH4) en onvolledig verbrand gas (CO) in het milieu gebracht. CH4 draagt bij aan het broeikaseffect en CO is een zeer giftig gas.
Energieverbruik
Door de minder goede verbranding wordt niet meer de maximale hoeveelheid warmte uit de brandstof gehaald. Het brandstofverbruik stijgt dus en daarmee ook de NOx en CO2-emissie. CO2 draagt in belangrijke mate bij aan het broeikaseffect. Door vervuiling van de warmtewisselaar wordt minder warmte overgedragen aan de installatie waardoor eveneens het brandstofverbruik toeneemt.
Veiligheid
De juiste verhouding tussen toegevoerde brandstof en verbrandingslucht is erg belangrijk voor het veilig functioneren van de installatie. Indien de verhouding verloopt kan door luchtgebrek onvolledige verbranding plaats vinden. Hierdoor ontstaat het eerder genoemde zeer giftige koolmonoxide (CO).
Beveiligingsorganen die niet regelmatig getest worden kunnen hun belangrijke functie verliezen.
Het gevolg kan zijn dat er een onveilige situatie ontstaat in de vorm van brand en/of een explosie.
Kijk hier voor FAQ’s met betrekking tot artikel 4.18 van het activiteitenbesluit.
Uiteraard kunt u ook altijd contact opnemen met ons, wij kunnen u alle benodigde informatie verstrekken ten aanzien van uw (stook)installaties.
|